Het is stil in Barakstad
J.M.H. Berckmans (1953-2008)
"Behalve de vriendschappen die ik heb, is dat schrijven mijn existentiële ruggengraat, die mij in het leven overeind houdt. Als ik die niet had, dan was ik dood. Allang. Als ik niet op een bepaald moment was gaan schrijven, dan was ik doodgegaan. Dan zat ik op een kantoortje - nou ja, ook dood te gaan eigenlijk hè?"
Een link.
(01/09/08)
WC-Tegel Wijsheden.
(30/08/08)
Publicatie!
Eens een nieuwtje tussendoor:
Het literaire blad met naam, De Brakke Hond, is zo vriendelijk geweest om een kortverhaal van mij te publiceren, en daar ben ik uiteraard wel gelukkig mee. Het verhaal heet 'Aan ideeën geen gebrek' en het neemt pagina's 94 tot en met 102 in beslag.
Deze pas verschenen zomereditie is te verkrijgen op deze adressen. En als u nog wat geduld over heeft, dan kan u wachten tot het integraal te lezen valt op de website van De Brakke Hond.
Om u alvast warm te maken, een voorsmaakje, zijnde niets minder dan de integrale, tweede paragraaf!
"Waarom ze mij op deze zaak gezet hebben, weet ik niet meer, waarschijnlijk interesseerde het niemand. Ik ben altijd wel benieuwd, tot op zekere hoogte.
Er was een man gestorven, in de Aanpalersstraat, de familie vroeg ons om de boel te komen inventariseren. Zelf hadden ze daar geen tijd voor, of geen zin. Meestal het laatste, weet ik. Mensen verzamelen doorheen hun leven veel troep, terwijl ze hun familie uit het oog verliezen, of omgekeerd, ze worden zelf uit het oog verloren. Uit ervaring zou ik in deze zaak voor de laatste optie kiezen. Alles wees erop. Erg eenzame man moet het geweest zijn. Moge hij nu in een beter oord vertoeven. Hij had al bij al niet zo veel troep verzameld. Of zo leek het aanvankelijk toch."
groet.
(26/08/08)
Als het nog niet voorbij is.
Ze zucht. Ze ijsbeert van haar zitplek naar de deur en terug. Ze kijkt uit het raam, wagens rijden voorbij, mensen gaan naar huis, ze komen terug van het werk. Ze wil iemand aanspreken, maar ze heeft al tegen een vreemde gezegd dat haar wasmachine stuk is, dat ze hier anders nooit komt. “Beheers je, niemand wil het weten”, denkt ze. Hierna moet alles nog eens in de droogtrommel, het is te veel om allemaal nog op te hangen, ze moet nergens zijn, het gaat hier nog even duren.
Ik wil een blik bier halen om de hoek. Ze zegt: “U gaat toch niet weg?” Ik begrijp haar niet, zeg niets, maar blijf toch staan.
“Uw spullen”, ze wijst naar mijn lege tas en de zak met wasmiddelen achterin het wassalon. “Ze nemen dat zo mee.”
“Ik ga naar de nachtwinkel”, zeg ik, “om de hoek”, ik kijk achter me, naar mijn spullen, en dan kijk ik naar de deur, dan pas naar haar.
“Ik zit hier nog wel een tijdje”, zegt ze. Ze glimlacht, maar niet voor lang. Ze kijkt naar haar machine. Ik ga een blik bier kopen.
Als ik terug achteraan zit bij mijn tas, met mijn boek en blik bier, staat er alweer een andere vrouw een machine vol te laden.
Het vrouwtje op haar zitplek zit het te bekijken, het onhandige gevecht met de weerbarstige machine, de jetons die er steeds weer doorvallen, het lange staren naar de gebruiksaanwijzing aan de muur. Ze wil iets doen, verbeten kijken ze toe, ze wil helpen, alles van a tot z uitleggen. Ze beheerst zich, ze laat het zijn.
Ze ijsberen en zuchten nu met tweeën vooraan in het wassalon. Door de boxen klinkt ‘Billie Jean’. Het duurt veel te lang, het is doods en met een funky baslijn.
Het vrouwtje vouwt haar kleren bijelkaar. Met haar karretje achter zich aan, rolt ze naar huis. Ze heeft geen hond. Als ze de was die nog steeds niet droog is opgehangen heeft, haalt ze een sigaret uit de koekjestrommel bovenop de voorraadkast. Wie zal haar betrappen? Ze zet zich aan de keukentafel.
Ze woont nog steeds in de stad, omdat er hier meer beweging is. Zolang ze zichzelf kan redden, is het goed zo.
Soep en boterhammen om er in te doppen voor avondmaal. Ze eet ’s middags al warm.
De tv staat aan, maar het geluid niet. Het is erg stil, ze hoort alleen zichzelf en de sigaret tussen haar vingers. Dubbele glazen, soms zou ze wel wat meer leven willen horen. Ze kijkt naar de klok, dan naar buiten, het is bijna donker, het blijft steeds langer licht. Straks is het lente.
Ze staat recht, om de rolluiken te sluiten, ze kijkt nog even naar buiten, wagens rijden naar huis, het zijn er niet veel meer. Ze trekt aan het koord, laat de rolluiken vallen, maar bedenkt zich als ze halverwege zijn. Ze houdt het koord stevig vast, ze voelt de spieren in haar arm. Ze kijkt naar buiten, ze moest zich een beetje bukken. Het koord spant, ze laat het los, de rolluiken blijven hangen, half gesloten. Deze keer hoeven ze niet helemaal toe. Het is niet nodig, vandaag niet.
Ze schakelt de tv uit, zet zich in de zetel, maar eerst gaat ze nog een sigaret uit de koekjestrommel halen, die ze daarna weer bovenop de voorraadkast zet. Alles is donker en stil nu. Ze laat zich wat dieper in de zetel zakken, zodat ze toch nog door het raam naar buiten kan kijken. Een onbekende man wandelt traag voorbij, kijkt opzij, naar binnen, maar hij ziet niets. Pas als hij voorbij gewandeld is, trekt ze nog één keer van haar sigaret.
Het is een rare dag geweest vandaag, hij is nog niet afgelopen.
(29/05/08)
Schrijvers gaan dood.
Ook al ben ik nooit een verdediger van zijn werk geweest, las ik hoop en al één boek van hem, toch deed het me wat. Hij was er altijd, een eik in de literaire en culturele wereld van België, een reus zo u wil, en als man en verspreider van tegen schenen stampende meningen, mocht ik hem wel. Hij was nog een echte schrijver, zoals je ze kende van lang geleden, de schrijvers waar naar opgekeken werden, die nog eens keet konden schoppen en zich overal tegen afzetten, mensen naar wie geluisterd werd zodra ze hun mond openden, die alom gerespecteerd werden en het echte schrijversleven leidden, zware drinkers en nachtraven, kleurrijke figuren die je deden dromen van de bohemièn in jezelf, alles voor de kunst en altijd de kin omhoog. Hij was één van de laatste. Reve is er ook al twee jaar niet meer, ook al was hij er enkele jaren langer niet meer.
Ik denk dat er nauwelijks nog overblijven. De schrijvers van nu geven mij zelden het gevoel dat literatuur ook rock ‘n’ roll kan zijn, dat het wringt en spuugt en mensen soms dooreen schudt en dat het écht iets betekent. Het is zoals de ouwe, nukkige, dossiervretende en rondsjoemelende politici van vroeger, die ik op een eigenaardige manier ook mis, die er ook niet meer zijn, vervangen door gladjassen en mediagetrainde puntenscoorders. Zo ook de schrijvers van nu, gladgestreken, keurig, voorzichtig, hun best doen om nog ergens een publiek te vinden en zo weinig mogelijk lezers voor het hoof te stoten, brave praatjes in obligate interviews, die sowieso niet langer dan twee minuten mogen duren, als het al überhaupt mag gaan over wat ze schrijven en niet over hun doorgaans niet zo boeiende persoonlijkheden.
Er is veel verloren, en ik ben een cultuurpessimist, mocht u het al gemerkt hebben. Of misschien ben ik gewoon melancholisch en vroeg oud op het vlak van ‘het was vroeger beter’. Maar tegelijk weet ik dat dit volslagen onzin is. Het was vroeger helemaal niet beter, al bij al was het vergelijkbaar met nu, maar wordt het nu meer in je gezicht gewreven langs talloze kanalen. De realiteit en de wereld zijn nooit zo bereikbaar en omnipresent geweest. De wereld in sé, en de mensen die erop wonen, zijn niet wezenlijk veranderd, maar de hele belevenis ervan is gewoon een stuk opdringeriger en irriterender geworden. Vind ik toch. Maar laat er mij alstublieft geen columns over schrijven.
Het enige wat ik even wou melden, is dat Hugo Claus deze week gestorven is, en met hem een soort iconisch oerschrijver. Dat is alles. Tirade afgelopen.
(22/03/08)
Anderen zeggen het altijd beter.
Als het niet uit de eigen koker wil komen, voor even. Het scherm is er altijd, het wacht, wit en leeg. Dat hoeft niet erg te zijn, ik zeg het tegen mezelf. Het kan niet elke dag lukken. Mag een zondag al niet eens een verloren dag zijn, moet dat dan per sé zonde zijn?
Neen, helemaal niet.
Op zo'n dagen, laat ik het met plezier aan een ander over en duik ik nog eens in mijn oude collectie citaten. Mooie woorden, over een mooie bezigheid.
Paul Auster
“He has spent the greater part of his adult life hunched over a small rectangle of wood, concentrating on an even smaller rectangle of white paper. He has spent the greater part of his adult life standing up and sitting down and pacing back of forth. These are the limits of the known world. He listens. When he hears something, he begins to listen again. Then he waits. He watches and waits. And when he begins to see something, he watches and waits again. These are the limits of the known world.”
"The one thing I try to do in all my books is to leave enough room in the prose for the reader to inhabit it. Because I finally believe it’s the reader who writes the book and not the writer…
There’s a way in which a writer can do too much, overwhelming the reader with so many details that he no longer has any air to breathe.
When I write, the story is always uppermost in my mind, and I feel that everything must be sacrificed to it…it’s all in the voice. You’re telling a story, and your job is to make people want to go on listening to your tale. The slightest distraction or wandering leads to boredom.
When you look back on the works that moved you, you find that they have always been written out of some kind of necessity. There’s something calling out to you, some human call, that makes you want to listen to the work, it probably has very little to do with literature."
02/03/08
Willen wij meer tijd?
Ik duw een jeton in de wasmachine.
De jeton valt erdoor.
Ik duw dezelfde jeton in de wasmachine.
De jeton valt erdoor.
Ik zoek de ontbrekende sok.
De sok is weg.
Ik ben de kaas vergeten.
Ik ga terug naar de winkel.
Ik duw dezelfde jeton in de wasmachine.
De jeton valt erdoor.
Ik ga zitten. Ik ben iets vergeten.
Ik sta weer recht.
Ik begin een zin…
Ik maak hem niet af.
Ik lees een boek. De telefoon gaat.
Er is iets anders te doen.
De jeton valt erdoor.
Ik herhaal.
De jeton valt erdoor.
Ik verveel me.
Er is geen tijd genoeg.
Sommige dingen moeten gedaan worden.
Ik duw een jeton in de wasmachine.
De was in de machine begint te draaien.
Nog dertig minuten.
Ik zit me hier te vervelen.
16/02/08
Kortverhaal
"Gek", dacht de hond, en hij sliep in.
Met dank aan Augusto Monteroso.
13/01/2008
Moge het nieuwe jaar...
Beter zijn...
Goed zijn...
Ongeveer hetzelfde, maar toch met nét dat ietsje meer of minder zijn...
Moge het snel gaan...
Moge het op een aangenaam tempo voorbij kabbelen...
Moge het...
Moge het zijn. Laat het ons daar bij houden.
En verder geen gezever. Breng 2008 maar binnen. We zullen eens zien wat dat gaat geven.
29/12/07
Allerzielig.
“Lijken liggen op het kerkhof”, zei hij altijd. Niet dat hij een groot talenkenner was, maar voor eens had hij gelijk, en daarom herhaalde hij het steeds.
Zelf zeg ik niet “eigenlijk”, maar wel “eigenlijk” (je weet wel, eigenlèk).
Die nonkel had dat goed gezien. Zijn zonen, mijn neven, die wisten er niks van, “eigenlijk feitelijk” zeiden ze altijd.
“Lijken liggen op het kerkhof”, zei nonkel dan steeds. Hij was sowieso een man van een zich steeds herhalend repertoire, altijd dezelfde grapjes, zoals iedereen er wel een honderdtal in z’n nabije omgeving kent, de wereld loopt vol baarden.
Misschien is het wel dankzij hem dat ik nooit meer “eigenlijk” heb gezegd, maar steeds “eigenlijk” (je weet wel, eigenlèk).
Want lijken liggen op het kerkhof. Daar liggen ze goed. Ik ga er nooit heen om te rouwen, enkel uit toeristische overwegingen. Een mooi kerkhof is nooit weg, maar het zien van een graf van een oude, dode bekende zegt mij dan weer bitter weinig. Nooit heb ik echt de link kunnen leggen tussen een zerk en het familielid of de kennis die erin zou moeten liggen. En in de grond (ja ja, in de grond!) is dat ook al lang niet meer zo. Stof, dat ligt er.
Maar mensen vinden er troost, in verse bloemen, in een propere zerk en een deftig graf, en de herinnering aan wat ooit was, voor het stof werd. Dat wat je ook herinneringen zou kunnen noemen. Soms hebben herinneringen een zetje nodig. En daar is op zich helemaal niets mis mee.
(31/10/07)
Fragment uit het verhaal.
Toen was zingen even gebruikelijk als praten. Verhalen werden niet verteld, maar gezongen. Een goed lied, dat had een sterk verhaal, daar hielden de mensen van. De melodie, die was er om het verhaal makkerlijker te kunnen onthouden. Mensen gaven die liederen aan elkaar door. Ze veranderden woorden, om ze naar hun mond te zetten, dat mocht. Het lied was geen bezit. Liederen legden heelder afstanden af, maar de verhalen bleven dezelfde, die reisden door eeuwen en de halve wereld rond. Maar dat kon niet blijven duren. De wereld geraakte vol van verhalen, en manieren om zich bezig te houden. De interesse verdween, en de zangers stierven uit. Hun verhalen hadden niet veel tijd meer.
(5/10/07)
Wat Kurt zegt
Recent nog eens genoten van een boek, zowaar. 'Bluebeard', van de immer geestige en tot nadenken en grijnzen aansporende en recent komen te gaanende Kurt Vonnegut. Dus waarom niet eens de meester zelf aan het woord laten, en zelf eerbiedig mijn mond houden.
Eight rules for writing a short story:
1. Use the time of a total stranger in such a way that he or she will not feel the time was wasted.
2. Give the reader at least one character he or she can root for.
3. Every character should want something, even if it is only a glass of water.
4. Every sentence must do one of two things — reveal character or advance the action.
5. Start as close to the end as possible.
6. Be a sadist. No matter how sweet and innocent your leading characters, make awful things happen to them — in order that the reader may see what they are made of.
7. Write to please just one person. If you open a window and make love to the world, so to speak, your story will get pneumonia.
8. Give your readers as much information as possible as soon as possible. To heck with suspense. Readers should have such complete understanding of what is going on, where and why, that they could finish the story themselves, should cockroaches eat the last few pages.
Vonnegut voegt hier aan toe dat zijn favoriete kortverhaalschrijver (de mij volstrekt onbekende Flannery O'Conner) alle regels brak, behalve de eerste, en dat schrijvers vaak die neiging hebben. Dus...
(15/08/07)
Een mindere dag voor een konijn
Konijn had een mindere dag. Konijn kon zelfs gerust stellen een slechte dag te beleven. Er zijn zo van die mensen die mindere en slechte dagen wijten aan externe factoren, ze kunnen er zelf niet aan doen, meneer! Dergelijke gemakszucht kon men konijn niet verwijten, no sir!
“Het is je eigen stomme schuld!”, zei hij, tegen zichzelf wel te verstaan.
Nu, wat was er gebeurd?
Konijn had zo rond de middag afgesproken in een eetgelegenheid, met vriend paard. Het was lang geleden dat ze elkaar nog eens de hand hadden gedrukt, en konijn keek er naar uit. Paard was een oude vriend, uit de tijd dat konijn zich nog warm kon maken voor deelname aan ploegsporten. Paard was altijd de betere van hun twee geweest, en dan vooral de snelste. En de sterkste ook wel. Maar konijn, die maakte daar nooit een punt van. Vriendschap hoort fysieke, financiële, en zelfs intellectuele superioriteit te overstijgen, zoveel mogelijk. Dat vindt konijn dus ook. Zodus.
De afspraak stond gepland voor zo rond 12 uur ’s middags, in de stal om de hoek. Zoals U wel al zal kunnen afgeleid hebben uit het begin van dit verhaal, is er van de afspraak die dag niets in huis gekomen.
“Mijn God! De tijd!”, brulde konijn. Konijn brulde anders nooit, hij leefde in stilte, en een fluisterende toon van spreken was zijn stijl. Het gebrul veroorzaakte trillingen. Blind van haast rende konijn naar buiten, maar hierbij vergat hij de deur te openen. Een flinke knal gaf dit, zo flink de hele gang van zijn hol instortte, bovenop konijn. De afspraak moesten ze noodgedwongen een dagje uitstellen. Taart en koffie werden betaald door paard, en konijn peuterde nog steeds grond uit zijn lange oren.
(5/07/07)
Het sneeuwt.
Mijn eerste bijdrage, en waarom niet meteen met een -poging tot - dichten, uit de oude doos dan nog wel. Buiten is het herfst in de zomer, en op het scherm is het plots winter, kijk eens aan!
Het sneeuwt.
Moe van de snoer sla ik m’n kop tegen de vloer
De barsten knallen en draden schieten door de lucht
Kraken voegen voegen tesamen tot in het aller geheel
Niet meer niet meer
Nooit meer
Dan dit, zal ik niet krijgen
Het is al, en dat is dat, wat ?
Ranzinge stormen en bleke vlagen
Kunnen zij wel dit alles dragen ?
Wie is dat daar die daar staat te staan,
Terwijl alles om hem heen vergaat ?
Donkerder wordt het nu, de vlokken gevloerd
Moe van de snoer sla ik m’n kop tegen de vloer
Boe hoe
Boe hoe
Boe hoe
Ach toe, gun het me
Please
Smeken beden om vergiffenis
Troost zoeken in mezelf, want waar kan het anders
Alleen immer en immer alleen
Zelfs met twee,
Altijd en immer maar weer
Keer op keer
Onzin, dat is dit, niets meer
Minder
Woorden, snoeren van woorden die me een loer draaien
En ik met m’n kop tegen de vloer
Daar is het goed, splinters in m’n ogen, opgerold in het tapijt
Kruimels in m’n neus.
Rust
Breng me rust
Donker, stil, leeg en dood
Al dat gebedel en gekwijl om het dagelijks brood
En niet eens vers of gesneden maar grof en donker
Altijd maar diezelfde woorden die wederkomen,
Wat doen die hier, wie heeft hen uitgenodigd op deze woordendans ?
Ik niet.
Lak heb ik en laks ben ik
Het is een feit
Lichtjes in vensterjes, schimmen onder daken, rook in de lucht
Leven, ver van mij, ver van hier, men zegt ‘dichtbij’, denk van niet.
Denk niet, nooit meer, dom dommer domst
Afgestompt
Onnozel
Lomp
Kak
Kak in een zak
En vlokken in de lucht
Geen een is dezelfde zegt men, gelijk mensen, zegt men,
Bullshit, ze zijn allemaal eender, koud en nat en rusteloos en van korten duur.
Dat zijn zij en wij.
En daarbij, waarom nog voortgaan, wat is het nut, is er een nut ?
Ja.
Zij.
En ik.
En wij.
Alleen dan, alleen dan,
Maar tot dan,
Is mijn leven een snoer en sla ik met m’n kop tegen de vloer.
(2/07/2007)














